Botsende grondrechten: wie heeft gelijk?

Religie staat hoog op de politieke en maatschappelijke agenda. Het knetterde in de Tweede Kamer vanwege minister van Onderwijs Arie Slob (CU) en Farid Azarkan (DENK). Staan er grondrechten op de tocht?

Deze week kende een tweetal incidenten die alles te maken hebben met botsende grondrechten. Arie Slob legde in een debat over burgerschapsonderwijs keurig de werking uit van het grondwetsartikel dat de vrijheid van onderwijs regelt. Farid Azarkan verdedigde het recht op vrije meningsuiting van door pal te gaan staan voor een petitie die daags na de moord op de Franse leraar Samuel Paty de ronde deed. De petitie roept op om de belediging van de profeet Mohammed te verbieden. Een getraind oog telt een viertal grondwetsartikelen die zorgen voor spanning: het gelijkheidsbeginsel (art. 1 GW), de vrijheid van godsdienst (art. 6 GW), de vrijheid van meningsuiting (art. 7 GW) en de vrijheid van onderwijs (art. 23 GW). Wat de twee kwesties verder gemeenschappelijk hebben is dat het in beide gevallen ging over een religieuze minderheid in Nederland: moslims en gereformeerden.

Een nieuwe schoolstrijd

Onder artikel 23 mogen scholen op religieuze grondslag onderwijs geven. Er zijn reformatorische scholen die voordat leerlingen ingeschreven worden van hun ouders een zogeheten identiteitsverklaring verlangen: een verklaring waarin de ouders de visie van de school onderschrijven. Hierin wordt homoseksualiteit afgekeurd. Arie Slob wist de Kamer te vertellen dat dit mocht – hij redeneerde vanuit het grondwetsartikel. Kritiek van Kamerleden is samen te vatten in de paradox die GroenLinks-Kamerlid Lisa Westerveld: “Ongeremde vrijheid kan leiden tot onvrijheid”, waarop zij toevoegde dat school een onveilige omgeving wordt als kinderen niet zichzelf kunnen zijn. De opmerking dat er natuurlijk altijd een veilig klimaat moet zijn op scholen bleek niet genoeg: Slob moest zijn uitspraken terugnemen. Het Openbaar Ministerie onderzoekt de uitspraken zelfs op strafbaarheid. De discussie over het aanpassen van artikel 23 is wederom in alle hevigheid opgelaaid, ruim 100 jaar nadat het als een compromis dat de schoolstrijd beslechtte werd geïntroduceerd.

Timing

Daags na het debat over burgerschapsonderwijs voerde de Tweede Kamer een debat over de moord op Samuel Paty. Tijdens dit debat verdedigde Farid Azarkan van DENK het recht om een petitie te starten. Dat deze petitie ging over het strafbaar stellen van het beledigen van de profeet Mohammed schoot veel Kamerleden in het verkeerde keelgat. Het belangrijkste argument? Timing, zo kort nadat een docent onthoofd werd omdat hij spotprenten liet zien over diezelfde profeet Mohammed. De duizenden handtekeningen laten zien dat het een onderwerp is dat leeft in de islamitische gemeenschap.

Had Arie Slob gelijk? Of toch Kamerleden die kritiek hebben op de identiteitsverklaring? Mag die petitie geïnitieerd worden of moet je rekening houden met zoiets als timing? En zijn er grondrechten belangrijker dan andere grondrechten? Wat denk jij?

Geplaatst in Rechtsstaat

Categorieën